Blog

  • De vraag waar het werkelijk om gaat

    Gesprekken over veganisme verzanden bijna altijd in bijzaken. Krijg je wel genoeg eiwit binnen. Aten onze voorouders geen vlees. Wat als iedereen het deed. Stuk voor stuk interessante vragen, en stuk voor stuk vragen die om de kern heen draaien.

    De kern is een morele vraag, en die luidt: mogen wij dieren leed aandoen en doden voor iets wat wij niet nodig hebben?

    Alles daaromheen is afgeleid. Als het antwoord ja is, verandert een gezondheidsstudie daar weinig aan. Als het antwoord nee is, doet het weinig ter zake wat een voorouder ooit at.

    Het argument in zijn eenvoudigste vorm

    Peter Singer formuleerde in 1975 in Animal Liberation een redenering die sindsdien het startpunt van het debat is. Sterk vereenvoudigd:

    1. Onnodig lijden veroorzaken is verkeerd.
    2. Dieren kunnen lijden.
    3. Wij veroorzaken hun lijden voor voedsel dat wij niet nodig hebben.
    4. Dus is wat wij doen verkeerd.

    De kracht zit in de eerste premisse: die accepteert vrijwel iedereen al. Wie een hond mishandelt voor zijn plezier wordt door niemand verdedigd. Singers vraag is waarom dat oordeel verandert zodra het dier een varken is en het plezier een broodje.

    Singer beroept zich daarbij op het beginsel van gelijke afweging van belangen: als twee wezens een vergelijkbaar belang hebben — bijvoorbeeld het belang om geen pijn te lijden — dan hoort dat belang even zwaar te wegen, ongeacht tot welke soort ze behoren.

    Een andere route: rechten

    Tom Regan bewandelde in The Case for Animal Rights (1983) een andere weg. Waar Singer rekent met belangen en uitkomsten, betoogt Regan dat dieren rechten hebben.

    Zijn sleutelbegrip is subject-of-a-life: een wezen dat overtuigingen en verlangens heeft, waarneemt, herinnert, iets voelt, een toekomst heeft die voor hem uitmaakt. Zulke wezens hebben volgens Regan intrinsieke waarde — waarde die niet afhangt van hun nut voor anderen. En wie intrinsieke waarde heeft, mag niet worden behandeld als louter middel.

    Het verschil is praktisch relevant. Singers benadering laat in beginsel ruimte voor afwegingen: als het lijden klein genoeg is en het voordeel groot genoeg, kan iets toelaatbaar zijn. Regan sluit dat uit. Een recht kun je niet wegstrepen tegen andermans voordeel.

    Wat critici hiertegen inbrengen

    Deze redeneringen zijn niet onweersproken, en het is eerlijker om de bezwaren serieus te nemen dan ze te negeren.

    Het bezwaar van morele gemeenschap. Carl Cohen betoogde dat rechten alleen bestaan binnen een gemeenschap van wezens die morele claims op elkaar kunnen maken. Dieren kunnen dat niet: een leeuw kan geen onrecht doen. Volgens deze redenering zijn dieren geen rechthebbers, hoewel wij wel plichten jegens hen kunnen hebben.

    Het bezwaar tegen de abstractie. Cora Diamond stelde dat de hele benadering het onderwerp misvat. Dat wij geen mensen eten komt niet doordat wij hebben vastgesteld dat mensen bepaalde eigenschappen bezitten, maar doordat wij hen zien als mensen — als iemand, niet als iets. Volgens Diamond zou de discussie moeten gaan over hoe wij dieren zíen, niet over welke eigenschappen zij afvinken.

    Het bezwaar van de gedeelde natuur. Anderen, onder wie Roger Scruton, betogen dat morele verplichtingen voortkomen uit relaties en gemeenschap, en dat een bijzondere band met de eigen soort geen vooroordeel is maar de basis van moraal zelf.

    Waarom dit het hoofdonderwerp is

    Wie deze bezwaren wil beantwoorden, moet de filosofie in. Dat is precies waar dit onderwerp thuishoort — niet in de anatomie, niet in de voedingsleer.

    Op deze site behandel ik de ethische vraag daarom als hoofdzaak, met de argumenten van beide kanten. Niet omdat de uitkomst mij onverschillig laat, maar omdat een positie die de tegenargumenten niet kent, geen positie is maar een gewoonte.

  • Het argument van de marginale gevallen

    Vraag iemand waarom een mens meer morele bescherming verdient dan een varken, en er komt vrijwel altijd een eigenschap uit. Wij kunnen redeneren. Wij hebben taal. Wij zijn ons bewust van onszelf. Wij kunnen morele keuzes maken.

    Het argument van de marginale gevallen laat zien dat elk van die antwoorden een prijs heeft die vrijwel niemand bereid is te betalen.

    De redenering

    Noem een eigenschap die volgens jou de morele kloof rechtvaardigt. Er zijn dan twee mogelijkheden, en beide zijn ongemakkelijk.

    Of de lat ligt hoog. Kies je abstract redeneren, taal of moreel besef, dan vallen ook mensen buiten de boot: een pasgeborene, iemand met een ernstige verstandelijke beperking, iemand in een vergevorderd stadium van dementie. Wie de eigenschap consequent toepast, moet accepteren dat met die mensen hetzelfde mag als met een varken. Vrijwel niemand accepteert dat.

    Of de lat ligt laag. Kies je pijn voelen, belangen hebben, of gehecht zijn aan je eigen leven, dan vallen veel dieren er juist binnen. Een varken haalt die lat moeiteloos.

    Er lijkt geen eigenschap te bestaan die precies langs de soortgrens loopt: aanwezig bij álle mensen en afwezig bij álle dieren. De conclusie is dan dat de scheidslijn niet op een eigenschap rust, maar op soortlidmaatschap zelf — en dat is precies wat verdedigd zou moeten worden.

    De puppy in de kelder

    Alastair Norcross gaf hier in 2004 een scherpe wending aan met een gedachte-experiment. Stel je Fred voor, die door een ongeval het vermogen verloor om chocolade te proeven. Hij ontdekt dat een bepaald hormoon dat vermogen herstelt, en dat het alleen vrijkomt bij puppy’s die maandenlang worden gemarteld. Fred houdt daarom puppy’s in zijn kelder.

    Iedereen veroordeelt Fred. Norcross’ vraag is wat hem onderscheidt van iemand die vlees uit de bio-industrie koopt. In beide gevallen ondergaat een dier ernstig lijden. In beide gevallen is de opbrengst een smaakervaring. In beide gevallen bestaan er alternatieven.

    Het verschil dat mensen doorgaans noemen — Fred martelt zelf, de consument koopt slechts — verplaatst de vraag naar medeplichtigheid, maar neemt hem niet weg.

    Wat critici hiertegen inbrengen

    Het argument is invloedrijk maar niet onweerlegd. De drie serieuze tegenwerpingen:

    Soortnorm. Sommige filosofen stellen dat het gaat om wat kenmerkend is voor een soort, niet om wat een individu op enig moment kan. Een pasgeborene is een wezen van een soort met rationele vermogens; dat verleent bescherming, ook voordat die vermogens tot ontwikkeling komen. Tegenwerping daarop: waarom zou het lidmaatschap van een categorie iets zeggen over de behandeling van een individu dat de kenmerken mist?

    Relaties. Onze verplichtingen jegens kwetsbare mensen komen voort uit relaties, gemeenschap en zorg, niet uit een eigenschappenlijst. Tegenwerping: relaties zijn moreel relevant, maar historisch is uitsluiting op grond van “niet een van ons” telkens onhoudbaar gebleken.

    Praktische gevolgen. Sommigen vinden een moraal die pasgeborenen en varkens in één adem noemt intuïtief onaanvaardbaar. Tegenwerping: dat is geen weerlegging maar een weigering van de conclusie — al mag de kracht van morele intuïties zelf ook weer ter discussie staan.

    Waar dit uitkomt

    Het argument dwingt niet tot één conclusie, maar het maakt één positie wel erg lastig: de gedachte dat de morele kloof tussen mens en dier vanzelf spreekt. Wie hem wil handhaven, moet uitleggen welke eigenschap hem draagt, en dan verklaren waarom mensen die die eigenschap missen toch bescherming behouden.

    Dat is geen onmogelijke opgave. Maar het is een opgave, en zij wordt zelden aangegaan.

  • Soortisme: vooroordeel of vanzelfsprekendheid?

    De term werd in de jaren zeventig bedacht door de Britse psycholoog Richard Ryder, tijdens een campagne in Oxford. Peter Singer maakte hem bekend. Soortisme: het toekennen van meer gewicht aan de belangen van de eigen soort, zonder dat daar een rechtvaardiging voor bestaat.

    De vergelijking die erbij hoort is bewust ongemakkelijk. Zoals racisme de belangen van de eigen groep laat voorgaan zonder relevant verschil, zo doet soortisme dat volgens Singer met de eigen soort.

    Wat de aanklacht precies inhoudt

    Het gaat niet om de bewering dat mens en dier gelijk zijn. Singer ontkent niet dat er verschillen bestaan, en die verschillen mogen ook gevolgen hebben: het belang van een mens bij onderwijs heeft geen equivalent bij een koe.

    De aanklacht is specifieker. Waar belangen wél vergelijkbaar zijn — de belangen om niet te lijden, om te blijven leven — daar zou het feit dat de een tot onze soort behoort en de ander niet, op zichzelf geen gewicht mogen hebben. Soortlidmaatschap is een biologische categorie, geen morele eigenschap.

    Vergelijk het met huidskleur: ook een biologisch feit, ook zonder morele lading, en toch eeuwenlang gebruikt om verschil in behandeling te rechtvaardigen.

    De verdediging

    Hier ligt een van de scherpste breuklijnen in de moderne ethiek, en de verdediging is niet zwak.

    De vergelijking gaat mank. Rassen bestaan biologisch nauwelijks; soorten wel degelijk. Wie beweert dat soortisme hetzelfde is als racisme, gebruikt een retorisch middel om een categorieverschil weg te poetsen.

    Partijdigheid is niet altijd onrecht. Wij vinden het niet verkeerd dat een ouder het eigen kind voortrekt boven een vreemd kind. Verbondenheid mag moreel meetellen. Waarom zou verbondenheid met de eigen soort dan wél verdacht zijn?

    Moraal is een menselijke praktijk. Christine Korsgaard, die overigens zelf tot verregaande verplichtingen jegens dieren concludeert, wijst erop dat het vermogen tot moreel redeneren uniek menselijk is. Critici trekken daar een andere conclusie uit: wie de regels maakt en kan naleven, hoort tot de kring waarvoor ze gelden.

    Waar de discussie op vastloopt

    Het weerwoord op de tweede verdediging is sterk en verdient vermelding. Dat een ouder het eigen kind voortrekt, betekent niet dat die ouder een vreemd kind mag doden voor het genoegen van het eigen kind. Partijdigheid rechtvaardigt voorrang, geen onbeperkt gebruik.

    En daar ligt de kern van de zaak. De vraag is niet of wij een bijzondere band met onze soort mogen voelen — natuurlijk mag dat. De vraag is of die band rechtvaardigt wat wij feitelijk doen: jaarlijks tientallen miljarden dieren houden en doden, grotendeels voor voedsel waarvoor alternatieven bestaan.

    Wie soortisme verwerpt maar er niets aan doet, is inconsequent. Wie het verdedigt, moet uitleggen waar de grens ligt tussen gerechtvaardigde voorkeur en onbeperkt gebruik. Beide posities hebben werk te verzetten. Dat werk is waar deze site over gaat.

  • Waarom wij als enige zoogdieren scheurbuik krijgen

    Bijna elk zoogdier maakt zijn eigen vitamine C aan. Een hond, een kat, een koe, een rat: allemaal produceren ze het in hun lever, in ruime hoeveelheden, en geen van hen zal ooit scheurbuik krijgen. Wij kunnen het niet. Wij moeten vitamine C eten, elke week opnieuw, of we worden ziek.

    Dat is een opmerkelijke handicap voor een diersoort. En de verklaring ervoor zegt iets over wat onze voorouders aten.

    Een kapot gen

    De laatste stap in de aanmaak van vitamine C wordt uitgevoerd door een enzym met de naam L-gulonolacton-oxidase, kortweg GULO. Bij de mens is het gen dat daarvoor codeert nog aanwezig, maar defect: een zogeheten pseudogen. De bouwtekening ligt er nog, de fabriek is gesloten.

    Dat verlies is niet uniek voor de mens. Alle droogneusapen delen het, evenals cavia’s en sommige vleermuizen. De inactivatie bij onze lijn wordt geschat op ruwweg zestig miljoen jaar geleden.

    Waarom een kapot gen blijft bestaan

    Hier wordt het interessant. Een defect in zo’n essentiële stofwisselingsroute zou normaal gesproken dodelijk zijn. Dat het zich toch door de hele lijn heeft verspreid, kan maar één ding betekenen: de dieren die de mutatie opliepen, hadden er geen last van. Er zat genoeg vitamine C in hun voedsel.

    En vitamine C zit vrijwel uitsluitend in planten. Vruchten, bladeren, knollen. Vlees bevat er weinig van; gekookt vlees vrijwel niets. Een soort die zijn eigen productie kan opgeven zonder uit te sterven, leefde dus in een omgeving met een constante, ruime aanvoer van vers plantaardig voedsel.

    Dat is geen indirecte gevolgtrekking uit anatomie, maar een spoor in ons genoom.

    Wat het niet bewijst

    Twee eerlijke kanttekeningen, want die horen erbij.

    Ten eerste is er discussie over het waarom. Sommige onderzoekers zien het verlies als puur toevallig, mogelijk gehandhaafd doordat het energie bespaart of doordat het samenhangt met een efficiëntere opname van vitamine C uit voedsel. Wat vaststaat is de voorwaarde: zonder ruime plantaardige aanvoer had de mutatie zich niet kunnen verspreiden.

    Ten tweede: het gaat over onze voorouders van tientallen miljoenen jaren geleden, niet over de mens van de laatste paar honderdduizend jaar. Wie dit gebruikt om te betogen dat de mens nooit vlees at, rekt het argument te ver op.

    Wat het wél laat zien: onze biologie draagt de sporen van een lange geschiedenis waarin plantaardig voedsel niet incidenteel was, maar dagelijks en overvloedig. Wij zijn er zo van afhankelijk geraakt dat wij, anders dan bijna elk ander zoogdier, zonder ziek worden.

  • Ons DNA veranderde mee met de aardappel

    Er bestaat een hardnekkig beeld waarin de mens vooral een jager is, en waarin granen, knollen en peulvruchten pas laat in ons verhaal verschijnen — als een compromis van de landbouw, iets waar ons lichaam eigenlijk niet op gebouwd is.

    Ons genoom vertelt een ander verhaal. Zetmeel heeft letterlijk sporen in ons DNA achtergelaten.

    Vertering begint in de mond

    Wie een stuk brood lang genoeg kauwt, proeft het zoeter worden. Dat is speekselamylase aan het werk: een enzym dat zetmeel afbreekt tot suikers, nog voordat het voedsel de maag bereikt. Carnivoren hebben dit enzym niet in hun speeksel. Wij wel, en in ruime mate.

    Het gen dat ervoor codeert heet AMY1, en het gedraagt zich ongewoon. De meeste genen heeft een mens in tweevoud, één van elke ouder. Van AMY1 kan iemand er twee hebben — of vijftien.

    Meer zetmeel, meer kopieën

    Perry en collega’s publiceerden in 2007 in Nature Genetics een studie die dat patroon verklaarde. Zij vergeleken bevolkingsgroepen met traditioneel zetmeelrijke diëten met groepen die weinig zetmeel aten. De uitkomst: wie uit een zetmeelrijke traditie komt, heeft gemiddeld meer AMY1-kopieën. Meer kopieën betekenen meer amylase in het speeksel, en dus een betere vertering van zetmeelrijk voedsel.

    Dit was een van de eerste duidelijke voorbeelden van positieve selectie op een gen dat in aantal varieert. In gewone taal: dit is geen toeval, maar aanpassing. Het eten van zetmeelrijk plantaardig voedsel gaf een voordeel dat groot genoeg was om het genoom te veranderen.

    Ter vergelijking: bij zoogdieren in het algemeen blijkt het aantal amylasekopieën samen te hangen met het dieet van de soort — een patroon dat meerdere keren onafhankelijk is ontstaan.

    Wat dit betekent

    Zetmeelrijke planten zijn geen recente toevoeging aan het menselijke menu waar ons lichaam nog aan moet wennen. Ze zijn oud genoeg en belangrijk genoeg geweest om ons erfelijk materiaal vorm te geven.

    Eerlijkheidshalve: dit maakt de mens geen exclusieve planteneter. Het weerlegt wel het idee dat plantaardige koolhydraten lichaamsvreemd zijn — een idee dat je in populaire voedingsdiscussies veelvuldig tegenkomt. Wie beweert dat de mens niet gebouwd is op zetmeel, moet uitleggen waarom onze evolutie ons juist steeds beter in het verteren ervan heeft gemaakt.

  • Het sterkste argument is niet anatomisch, maar medisch

    Discussies over veganisme belanden vaak in de oertijd. Waren wij herbivoren? Wat aten onze voorouders? Het is een boeiende vraag, maar strategisch gezien een zwakke: het bewijs is fragmentarisch, de interpretaties lopen uiteen, en zelfs een sluitend antwoord zou niet bepalen wat wij vandaag zouden moeten eten.

    Het krachtigste argument ligt ergens anders, en het is veel beter onderbouwd: een goed samengesteld plantaardig dieet is niet alleen toereikend, maar hangt samen met een lager risico op precies die aandoeningen waar wij massaal aan overlijden.

    Toereikend in elke levensfase

    De Academy of Nutrition and Dietetics, de grootste beroepsvereniging van diëtisten ter wereld, publiceerde in 2016 haar standpunt over vegetarische voeding. De kern: goed geplande vegetarische en veganistische voeding is gezond, voedingskundig toereikend, en geschikt voor alle levensfasen — zwangerschap, borstvoeding, zuigelingen, kinderen, adolescenten, ouderen en sporters.

    Dat is geen activistische bewering maar het formele standpunt van een beroepsgroep. Twee woorden verdienen nadruk: goed gepland. Veganisten hebben een betrouwbare bron van vitamine B12 nodig, uit verrijkte voeding of een supplement. Dat is geen zwakte van het dieet maar een randvoorwaarde ervan, net zoals jodium in zout dat voor de rest van de bevolking is.

    Meer dan toereikend

    Hetzelfde standpunt noemt een lager risico op ischemische hartziekte, diabetes type 2, hoge bloeddruk, bepaalde vormen van kanker en obesitas bij vegetariërs en veganisten.

    Een van de sterkste aanwijzingen voor het mechanisme daarachter komt uit een omvangrijke analyse die Reynolds en collega’s in 2019 in The Lancet publiceerden. Zij bundelden 185 prospectieve studies en 58 klinische trials — samen bijna 135 miljoen persoonsjaren aan gegevens.

    De bevinding: wie het meeste vezels eet, heeft 15 tot 30 procent minder kans om te overlijden, aan welke oorzaak dan ook, dan wie het minste eet. Per extra 8 gram vezels per dag daalde het aantal sterfgevallen en het aantal gevallen van coronaire hartziekte, diabetes type 2 en darmkanker met 5 tot 27 procent. De grootste winst lag bij een inname van 25 tot 30 gram per dag.

    En hier zit de kern: vezels komen uitsluitend uit planten. Vlees, vis, zuivel en eieren bevatten er nul gram van. Een dieet dat rijk is aan vezels is per definitie een overwegend plantaardig dieet.

    De grenzen van dit argument

    Eerlijk blijven, ook hier. Het meeste van dit bewijs is observationeel: mensen die veel vezels eten, verschillen ook op andere manieren van mensen die dat niet doen — ze roken minder, bewegen meer, hebben vaker een hoger opleidingsniveau. Goede studies corrigeren daarvoor, maar volledig uitsluiten kun je het niet.

    Bovendien: “plantaardig” is geen garantie. Frisdrank en witbrood zijn ook plantaardig. Het bewijs wijst op vezelrijke, onbewerkte plantaardige voeding, niet op het simpelweg weglaten van dierlijke producten.

    Waarom dit sterker is

    Anders dan de anatomische argumenten rust dit op honderden studies, miljoenen deelnemers en het formele standpunt van beroepsverenigingen. Het is bovendien direct relevant: het gaat over wat een mens vandaag kan eten, niet over wat een voorouder ooit at.

    Wie het gesprek voert over veganisme doet er goed aan hier te beginnen, en de oertijd te laten voor wat hij is: interessant, maar niet doorslaggevend.

  • Is de blindedarm bewijs dat de mens een herbivoor is?

    Wie zich verdiept in de vraag of de mens van nature een planteneter is, komt vroeg of laat een argument tegen dat overtuigend klinkt: wij hebben een blindedarm, en dat orgaan hoort bij herbivoren. Bij planteneters is het een fermentatievat voor taaie plantvezels; bij vleeseters stelt het weinig voor. Dat wij er een hebben, zou verraden waar ons lichaam eigenlijk voor gebouwd is.

    Het is een mooi argument. Het is alleen niet houdbaar in de vorm waarin het meestal wordt verteld. Op deze site draait alles om wat het bewijs werkelijk zegt, ook wanneer dat ongelegen komt — dus laten we het uit elkaar halen.

    Waar het argument vandaan komt

    De redenering gaat terug op Charles Darwin. Hij viel op dat de menselijke appendix — het wormvormige aanhangsel aan het caecum, rechtsonder in de buik — geen duidelijke functie leek te hebben. Zijn verklaring: onze verre voorouders leefden van bladeren en hadden daarvoor een groot caecum nodig, waarin bacteriën die vezels konden afbreken. Toen die voorouders overstapten op makkelijker verteerbaar voedsel, met name fruit, verloor dat orgaan zijn nut en kromp het tot wat wij nu overhouden.

    Let op dat detail: in Darwins eigen redenering is de krimp van het caecum juist een gevolg van een overgang naar fruit. Wie het frugivore-argument aanhangt, vindt hier dus historisch gezien een aanknopingspunt.

    De vergelijkende anatomie ondersteunt het eerste deel van het verhaal. Bij veel herbivoren is het caecum enorm ontwikkeld en bij sommige soorten zelfs het belangrijkste verteringsorgaan. Bij typische carnivoren is het klein tot rudimentair. Zo bezien lijkt de conclusie voor de hand te liggen.

    Wat het bewijs werkelijk zegt

    In 2009 publiceerden Smith en collega’s in het Journal of Evolutionary Biology een vergelijkende studie naar het caecum en de appendix bij honderden zoogdiersoorten. Hun bevindingen ondermijnen de sterke versie van het argument op drie punten.

    • Geen verband met dieet. De onderzoekers vonden geen correlatie tussen dieetcategorie en de aanwezigheid van een appendix, de grootte ervan, of de vorm van het caecum. Een appendix voorspelt niet wat een dier eet.
    • Meermaals onafhankelijk ontstaan. De appendix is in de evolutie meerdere keren los van elkaar verschenen — bij primaten, bij knaagdieren en hazagtigen, en bij buideldieren — en soms ook weer verdwenen. Dat past niet bij één gedeelde herbivore oorsprong.
    • Een andere functie. De huidige leidende hypothese is dat de appendix dient als toevluchtsoord voor nuttige darmbacteriën: een reservoir waaruit de darmflora zich kan herstellen na een infectie. Dat is een immunologische functie, geen verteringsfunctie.

    De bewering dat dit orgaan “alleen bij herbivoren voorkomt” is daarmee onjuist. Een vermiforme appendix komt voor bij alle mensapen en bij diverse apensoorten, maar ook bij dieren die je niet als planteneter zou omschrijven. Het is geen keurmerk voor plantaardige voeding.

    Wat er wél overeind blijft

    Het zou te makkelijk zijn om nu alles weg te wuiven. Een paar dingen blijven staan:

    • De mens deelt een cecoappendiculair complex met bladeretende primaten — de anatomische verwantschap is er, alleen zegt die weinig over dieet.
    • Onze dikke darm kan korteketenvetzuren opnemen uit bacteriële fermentatie van vezels, wat een reële bijdrage aan de energievoorziening levert. Fermentatie speelt bij de mens dus wel degelijk een rol.
    • Een appendix die vooral darmflora huisvest, onderstreept hoe centraal die darmflora is — en die floreert bij vezelrijke, plantaardige voeding. Dat is een sterker en beter onderbouwd argument dan het oorspronkelijke.

    Conclusie

    De blindedarm is geen bewijs dat de mens een herbivoor is. Wie dat argument gebruikt, loopt het risico onderuit te worden gehaald door iemand die de literatuur wél heeft gelezen — en verliest daarmee meer geloofwaardigheid dan het argument ooit had kunnen opleveren.

    Er zijn genoeg argumenten voor een plantaardig dieet die wél op stevig bewijs rusten: gezondheidsuitkomsten, milieu-impact en bovenal de ethische vraag of we dieren leed mogen aandoen voor voedsel dat we niet nodig hebben. Die argumenten hebben een zwakke anatomische bijrol niet nodig.

    Het loslaten van een argument dat niet klopt, is geen verlies. Het is precies wat je positie geloofwaardig maakt.

  • De tabel van Milton Mills: wat houdt stand?

    Wie op internet zoekt naar bewijs dat de mens van nature een planteneter is, komt onvermijdelijk de tabel van Milton R. Mills tegen. De Amerikaanse arts zette in The Comparative Anatomy of Eating kenmerk voor kenmerk de mens naast carnivoren, omnivoren en herbivoren. De conclusie oogt verpletterend: op vrijwel elk punt staat de mens in de herbivore kolom.

    De tabel wordt massaal gedeeld. Hij wordt ook massaal aangevallen. En wie hem in een discussie inzet zonder te weten welke rijen kwetsbaar zijn, verliest die discussie meestal op één enkel punt. Daarom hier eerst de tabel, en daarna een eerlijke beoordeling per argument.

    De argumenten van Mills

    KenmerkCarnivoorOmnivoorHerbivoorMens
    AangezichtsspierenGereduceerd, voor wijde mondopeningGereduceerdGoed ontwikkeldGoed ontwikkeld
    KaaktypeHoek niet verbreedHoek niet verbreedVerbrede hoekVerbrede hoek
    Positie kaakgewrichtOp één vlak met de kiezenOp één vlak met de kiezenBoven het vlak van de kiezenBoven het vlak van de kiezen
    KaakbewegingScharend, weinig zijwaartsScharend, weinig zijwaartsGeen schaarwerking; goed zijwaartsGeen schaarwerking; goed zijwaarts
    Belangrijkste kauwspierenTemporalisTemporalisMasseter en pterygoïdenMasseter en pterygoïden
    Mondopening t.o.v. hoofdGrootGrootKleinKlein
    SnijtandenKort en puntigKort en puntigBreed, afgeplat, spadevormigBreed, afgeplat, spadevormig
    HoektandenLang, scherp, gebogenLang, scherp, gebogenStomp en kort of afwezigKort en stomp
    KiezenScherp, gekarteld, mesvormigScherpe randen of afgeplatAfgeplat met knobbelsAfgeplat met knobbels
    KauwenGeen; voedsel wordt doorgesliktHeel of licht geplet doorgesliktUitgebreid kauwen noodzakelijkUitgebreid kauwen noodzakelijk
    SpeekselGeen verteringsenzymenGeen verteringsenzymenKoolhydraatverterende enzymenKoolhydraatverterende enzymen
    MaagtypeEnkelvoudigEnkelvoudigEnkelvoudig of meerdere kamersEnkelvoudig
    Maagzuurgraad (met voedsel)pH ≤ 1pH ≤ 1pH 4–5pH 4–5
    Lengte dunne darm3–6× lichaamslengte4–6× lichaamslengte10–12+× lichaamslengte10–11× lichaamslengte
    Dikke darmEnkelvoudig, kort, gladEnkelvoudig, kort, gladLang, complex, vaak met uitstulpingenLang, met uitstulpingen
    LeverKan vitamine A ontgiftenKan vitamine A ontgiftenKan vitamine A niet ontgiftenKan vitamine A niet ontgiften
    NierenExtreem geconcentreerde urineExtreem geconcentreerde urineMatig geconcentreerde urineMatig geconcentreerde urine
    NagelsScherpe klauwenScherpe klauwenPlatte nagels of hoevenPlatte nagels
    Naar: Milton R. Mills, The Comparative Anatomy of Eating.

    Wat houdt stand?

    ArgumentBeoordelingToelichting
    Kauwspieren, kaakgewricht, kaakbewegingSterkDe menselijke kaak kan zijwaarts malen; echte carnivoren kunnen dat niet. Anatomisch goed gedocumenteerd.
    Gebit: afgeplatte kiezen, spadevormige snijtandenSterkOns gebit is geschikt voor vermalen, niet voor het snijden van vlees.
    SpeekselamylaseSterkMensen hebben salivair amylase en meerdere kopieën van het AMY1-gen: een aanpassing aan zetmeelrijke voeding.
    Uitstulpingen (haustra) in de dikke darmRedelijkKlopt anatomisch, en fermentatie van vezels levert de mens ook werkelijk energie op via korteketenvetzuren.
    Platte nagels in plaats van klauwenZwakKlopt, maar geldt voor vrijwel alle primaten, ook voor soorten die insecten en vlees eten. Zegt weinig over dieet.
    Lengte van de dunne darm (10–11×)OmstredenSterk afhankelijk van de meetmethode. Andere bronnen komen voor de mens uit op ongeveer 5:1, dichter bij de hond (6:1) dan bij het rund (12:1).
    Lever kan vitamine A niet ontgiftenOmstredenHypervitaminose A bestaat bij de mens, maar de bewering is te absoluut en ook carnivoren kennen grenzen.
    Maagzuurgraad pH 4–5OnhoudbaarDe nuchtere maag-pH van de mens ligt rond 1,5: uitzonderlijk zuur voor een primaat en vergelijkbaar met aaseters. Mills vergelijkt een volle menselijke maag met nuchtere waarden bij carnivoren.
    De opzet van de tabel zelfMethodologisch zwakDe kolom “omnivoor” beschrijft feitelijk honden en katten. Echte omnivoren zoals varkens en beren lijken op veel punten juist wél op de mens.

    Het maagzuurprobleem

    Eén rij verdient extra aandacht, omdat critici daar vrijwel altijd aanvallen. Mills geeft de mens een maag-pH van 4 tot 5 en plaatst ons daarmee bij de herbivoren. Maar de nuchtere maag van de mens heeft een pH van ongeveer 1,5.

    Beasley en collega’s brachten in 2015 de maagzuurgraad van tientallen soorten vogels en zoogdieren in kaart. Hun bevinding: aaseters en carnivoren hebben significant zuurdere magen dan herbivoren — en de mens valt op door een uitzonderlijk lage pH voor een primaat, vergelijkbaar met die van aaseters. Hun verklaring is dat sterk maagzuur vooral een filter tegen ziekteverwekkers is, niet zozeer een verteringsmiddel.

    Mills’ cijfer is niet volledig verzonnen: met voedsel in de maag stijgt de pH tijdelijk. Maar hij vergelijkt die waarde met nuchtere waarden bij carnivoren, en dat is geen eerlijke vergelijking.

    Wat je hiermee kunt

    De tabel is niet waardeloos. Kaak, gebit en speeksel wijzen werkelijk op een lange geschiedenis van plantaardig voedsel, en dat is geen kleinigheid. Maar de tabel bewijst niet dat de mens een herbivoor is.

    Een verdedigbare formulering luidt: de mens is anatomisch aangepast aan een overwegend plantaardig dieet. Dat is een bescheidener claim dan “de mens is een herbivoor”, en precies daarom houdt hij stand.

    En misschien wel het belangrijkste: de vraag wat onze anatomie zegt, is een andere dan de vraag of we dieren mogen doden voor voedsel dat we niet nodig hebben. Dat ethische argument staat op eigen benen. Het heeft geen anatomische tabel nodig — en wordt niet zwakker als één rij daarvan sneuvelt.

  • Te traag om te jagen? Waarom het snelheidsargument niet werkt

    Een argument dat vaak terugkeert in discussies over het menselijke dieet: wij zijn simpelweg te traag om iets te vangen. Een gemiddeld mens sprint zo’n 20 tot 30 kilometer per uur. Een gazelle haalt het dubbele. Zelfs een konijn rent ons eruit. Wat voor roofdier zou dat moeten voorstellen?

    De cijfers kloppen. De conclusie niet. Dit is een van de argumenten waar je het snelst op onderuit gaat in een gesprek met iemand die de literatuur kent, en het is de moeite waard om te begrijpen waarom.

    Snelheid was nooit de strategie

    In 2004 publiceerden Dennis Bramble en Daniel Lieberman in Nature een invloedrijk artikel over de evolutie van het hardlopen bij de mens. Hun stelling: het geslacht Homo is niet gebouwd op snelheid, maar op uithoudingsvermogen. Wij zijn de enige primaat die op aerobe stofwisseling afstanden van meer dan vijf kilometer kan afleggen, en dat vermogen is ongeveer twee miljoen jaar oud.

    Het lichaam draagt daar de sporen van: een nekband die het hoofd stabiliseert tijdens het rennen, lange veerkrachtige pezen zoals de achillespees, een uitzonderlijk zware bilspier, en miljoenen zweetklieren in plaats van een vacht.

    Dat laatste is beslissend. De meeste zoogdieren koelen af door te hijgen, en dat lukt niet goed tijdens het galopperen. Een mens zweet en kan blijven doorgaan. Over langere afstanden lopen wij sneller dan de snelheid waarop andere zoogdieren van draf naar galop moeten overschakelen — en in hitte raken die dieren oververhit terwijl wij doorlopen.

    Uitputtingsjacht

    Hieruit volgt een jachtvorm die geen snelheid vereist en geen wapens: de uitputtingsjacht. De jager haalt het dier niet in, maar blijft het urenlang achtervolgen tot het instort door oververhitting. Bramble en Lieberman betogen dat vroege Homo hiermee een ecologische niche kon vullen nog voordat er geavanceerde wapens bestonden.

    De vraag is dus niet of een mens sneller is dan zijn prooi. Die is niet relevant. De vraag is of een mens een prooi kan bemachtigen — en daar zijn wij, anders dan bijna elk ander dier, uitzonderlijk goed in.

    En de bijen?

    In sommige versies van het argument wordt eraan toegevoegd dat onze sprintsnelheid net voldoende is om bijen voor te blijven na het roven van een honingnest. Dat is een aardig beeld, maar het werkt tegen de these die het moet ondersteunen: honing is een dierlijk product. Wie onze anatomie verklaart uit het roven van honingnesten, beschrijft daarmee een aanpassing aan dierlijk voedsel.

    Honingroof is bovendien goed gedocumenteerd bij hedendaagse jager-verzamelaars, waaronder de Hadza in Tanzania, bij wie honing een substantieel deel van de calorieën levert.

    Conclusie

    Het snelheidsargument is niet houdbaar. Onze traagheid over korte afstand zegt niets over ons vermogen om te jagen, omdat snelheid nooit onze strategie was. Sterker nog: het uithoudingsvermogen waarmee wij ons onderscheiden, wordt door onderzoekers juist in verband gebracht met het bemachtigen van vlees.

    Dat is ongemakkelijk voor wie het herbivoor-argument aanhangt, en het is eerlijker om dat te erkennen dan het weg te laten. Wat onze voorouders konden en deden, bepaalt bovendien niet wat wij vandaag zouden moeten doen. Dat mensen tot jagen in staat waren, verplicht ons nergens toe — net zomin als ons vermogen tot geweld ons verplicht gewelddadig te zijn.