Bijna elk zoogdier maakt zijn eigen vitamine C aan. Een hond, een kat, een koe, een rat: allemaal produceren ze het in hun lever, in ruime hoeveelheden, en geen van hen zal ooit scheurbuik krijgen. Wij kunnen het niet. Wij moeten vitamine C eten, elke week opnieuw, of we worden ziek.
Dat is een opmerkelijke handicap voor een diersoort. En de verklaring ervoor zegt iets over wat onze voorouders aten.
Een kapot gen
De laatste stap in de aanmaak van vitamine C wordt uitgevoerd door een enzym met de naam L-gulonolacton-oxidase, kortweg GULO. Bij de mens is het gen dat daarvoor codeert nog aanwezig, maar defect: een zogeheten pseudogen. De bouwtekening ligt er nog, de fabriek is gesloten.
Dat verlies is niet uniek voor de mens. Alle droogneusapen delen het, evenals cavia’s en sommige vleermuizen. De inactivatie bij onze lijn wordt geschat op ruwweg zestig miljoen jaar geleden.
Waarom een kapot gen blijft bestaan
Hier wordt het interessant. Een defect in zo’n essentiële stofwisselingsroute zou normaal gesproken dodelijk zijn. Dat het zich toch door de hele lijn heeft verspreid, kan maar één ding betekenen: de dieren die de mutatie opliepen, hadden er geen last van. Er zat genoeg vitamine C in hun voedsel.
En vitamine C zit vrijwel uitsluitend in planten. Vruchten, bladeren, knollen. Vlees bevat er weinig van; gekookt vlees vrijwel niets. Een soort die zijn eigen productie kan opgeven zonder uit te sterven, leefde dus in een omgeving met een constante, ruime aanvoer van vers plantaardig voedsel.
Dat is geen indirecte gevolgtrekking uit anatomie, maar een spoor in ons genoom.
Wat het niet bewijst
Twee eerlijke kanttekeningen, want die horen erbij.
Ten eerste is er discussie over het waarom. Sommige onderzoekers zien het verlies als puur toevallig, mogelijk gehandhaafd doordat het energie bespaart of doordat het samenhangt met een efficiëntere opname van vitamine C uit voedsel. Wat vaststaat is de voorwaarde: zonder ruime plantaardige aanvoer had de mutatie zich niet kunnen verspreiden.
Ten tweede: het gaat over onze voorouders van tientallen miljoenen jaren geleden, niet over de mens van de laatste paar honderdduizend jaar. Wie dit gebruikt om te betogen dat de mens nooit vlees at, rekt het argument te ver op.
Wat het wél laat zien: onze biologie draagt de sporen van een lange geschiedenis waarin plantaardig voedsel niet incidenteel was, maar dagelijks en overvloedig. Wij zijn er zo van afhankelijk geraakt dat wij, anders dan bijna elk ander zoogdier, zonder ziek worden.
Bronnen bij dit artikel
- (2019). Glut-1 explains the evolutionary advantage of the loss of endogenous vitamin C-synthesis Evolution, Medicine, and Public Health 2019(1):221-231. Peer-reviewed studie [origineel]
- Katharine Milton (1999). Nutritional characteristics of wild primate foods: do the diets of our closest living relatives have lessons for us? Nutrition 15(6):488-498. Review-artikel [origineel]
Deze bronnen zijn gekoppeld via de claims die in dit artikel worden behandeld. Doorzoek de volledige bibliotheek.