Auteur: admin

  • De vraag waar het werkelijk om gaat

    Gesprekken over veganisme verzanden bijna altijd in bijzaken. Krijg je wel genoeg eiwit binnen. Aten onze voorouders geen vlees. Wat als iedereen het deed. Stuk voor stuk interessante vragen, en stuk voor stuk vragen die om de kern heen draaien.

    De kern is een morele vraag, en die luidt: mogen wij dieren leed aandoen en doden voor iets wat wij niet nodig hebben?

    Alles daaromheen is afgeleid. Als het antwoord ja is, verandert een gezondheidsstudie daar weinig aan. Als het antwoord nee is, doet het weinig ter zake wat een voorouder ooit at.

    Het argument in zijn eenvoudigste vorm

    Peter Singer formuleerde in 1975 in Animal Liberation een redenering die sindsdien het startpunt van het debat is. Sterk vereenvoudigd:

    1. Onnodig lijden veroorzaken is verkeerd.
    2. Dieren kunnen lijden.
    3. Wij veroorzaken hun lijden voor voedsel dat wij niet nodig hebben.
    4. Dus is wat wij doen verkeerd.

    De kracht zit in de eerste premisse: die accepteert vrijwel iedereen al. Wie een hond mishandelt voor zijn plezier wordt door niemand verdedigd. Singers vraag is waarom dat oordeel verandert zodra het dier een varken is en het plezier een broodje.

    Singer beroept zich daarbij op het beginsel van gelijke afweging van belangen: als twee wezens een vergelijkbaar belang hebben — bijvoorbeeld het belang om geen pijn te lijden — dan hoort dat belang even zwaar te wegen, ongeacht tot welke soort ze behoren.

    Een andere route: rechten

    Tom Regan bewandelde in The Case for Animal Rights (1983) een andere weg. Waar Singer rekent met belangen en uitkomsten, betoogt Regan dat dieren rechten hebben.

    Zijn sleutelbegrip is subject-of-a-life: een wezen dat overtuigingen en verlangens heeft, waarneemt, herinnert, iets voelt, een toekomst heeft die voor hem uitmaakt. Zulke wezens hebben volgens Regan intrinsieke waarde — waarde die niet afhangt van hun nut voor anderen. En wie intrinsieke waarde heeft, mag niet worden behandeld als louter middel.

    Het verschil is praktisch relevant. Singers benadering laat in beginsel ruimte voor afwegingen: als het lijden klein genoeg is en het voordeel groot genoeg, kan iets toelaatbaar zijn. Regan sluit dat uit. Een recht kun je niet wegstrepen tegen andermans voordeel.

    Wat critici hiertegen inbrengen

    Deze redeneringen zijn niet onweersproken, en het is eerlijker om de bezwaren serieus te nemen dan ze te negeren.

    Het bezwaar van morele gemeenschap. Carl Cohen betoogde dat rechten alleen bestaan binnen een gemeenschap van wezens die morele claims op elkaar kunnen maken. Dieren kunnen dat niet: een leeuw kan geen onrecht doen. Volgens deze redenering zijn dieren geen rechthebbers, hoewel wij wel plichten jegens hen kunnen hebben.

    Het bezwaar tegen de abstractie. Cora Diamond stelde dat de hele benadering het onderwerp misvat. Dat wij geen mensen eten komt niet doordat wij hebben vastgesteld dat mensen bepaalde eigenschappen bezitten, maar doordat wij hen zien als mensen — als iemand, niet als iets. Volgens Diamond zou de discussie moeten gaan over hoe wij dieren zíen, niet over welke eigenschappen zij afvinken.

    Het bezwaar van de gedeelde natuur. Anderen, onder wie Roger Scruton, betogen dat morele verplichtingen voortkomen uit relaties en gemeenschap, en dat een bijzondere band met de eigen soort geen vooroordeel is maar de basis van moraal zelf.

    Waarom dit het hoofdonderwerp is

    Wie deze bezwaren wil beantwoorden, moet de filosofie in. Dat is precies waar dit onderwerp thuishoort — niet in de anatomie, niet in de voedingsleer.

    Op deze site behandel ik de ethische vraag daarom als hoofdzaak, met de argumenten van beide kanten. Niet omdat de uitkomst mij onverschillig laat, maar omdat een positie die de tegenargumenten niet kent, geen positie is maar een gewoonte.

  • Het argument van de marginale gevallen

    Vraag iemand waarom een mens meer morele bescherming verdient dan een varken, en er komt vrijwel altijd een eigenschap uit. Wij kunnen redeneren. Wij hebben taal. Wij zijn ons bewust van onszelf. Wij kunnen morele keuzes maken.

    Het argument van de marginale gevallen laat zien dat elk van die antwoorden een prijs heeft die vrijwel niemand bereid is te betalen.

    De redenering

    Noem een eigenschap die volgens jou de morele kloof rechtvaardigt. Er zijn dan twee mogelijkheden, en beide zijn ongemakkelijk.

    Of de lat ligt hoog. Kies je abstract redeneren, taal of moreel besef, dan vallen ook mensen buiten de boot: een pasgeborene, iemand met een ernstige verstandelijke beperking, iemand in een vergevorderd stadium van dementie. Wie de eigenschap consequent toepast, moet accepteren dat met die mensen hetzelfde mag als met een varken. Vrijwel niemand accepteert dat.

    Of de lat ligt laag. Kies je pijn voelen, belangen hebben, of gehecht zijn aan je eigen leven, dan vallen veel dieren er juist binnen. Een varken haalt die lat moeiteloos.

    Er lijkt geen eigenschap te bestaan die precies langs de soortgrens loopt: aanwezig bij álle mensen en afwezig bij álle dieren. De conclusie is dan dat de scheidslijn niet op een eigenschap rust, maar op soortlidmaatschap zelf — en dat is precies wat verdedigd zou moeten worden.

    De puppy in de kelder

    Alastair Norcross gaf hier in 2004 een scherpe wending aan met een gedachte-experiment. Stel je Fred voor, die door een ongeval het vermogen verloor om chocolade te proeven. Hij ontdekt dat een bepaald hormoon dat vermogen herstelt, en dat het alleen vrijkomt bij puppy’s die maandenlang worden gemarteld. Fred houdt daarom puppy’s in zijn kelder.

    Iedereen veroordeelt Fred. Norcross’ vraag is wat hem onderscheidt van iemand die vlees uit de bio-industrie koopt. In beide gevallen ondergaat een dier ernstig lijden. In beide gevallen is de opbrengst een smaakervaring. In beide gevallen bestaan er alternatieven.

    Het verschil dat mensen doorgaans noemen — Fred martelt zelf, de consument koopt slechts — verplaatst de vraag naar medeplichtigheid, maar neemt hem niet weg.

    Wat critici hiertegen inbrengen

    Het argument is invloedrijk maar niet onweerlegd. De drie serieuze tegenwerpingen:

    Soortnorm. Sommige filosofen stellen dat het gaat om wat kenmerkend is voor een soort, niet om wat een individu op enig moment kan. Een pasgeborene is een wezen van een soort met rationele vermogens; dat verleent bescherming, ook voordat die vermogens tot ontwikkeling komen. Tegenwerping daarop: waarom zou het lidmaatschap van een categorie iets zeggen over de behandeling van een individu dat de kenmerken mist?

    Relaties. Onze verplichtingen jegens kwetsbare mensen komen voort uit relaties, gemeenschap en zorg, niet uit een eigenschappenlijst. Tegenwerping: relaties zijn moreel relevant, maar historisch is uitsluiting op grond van “niet een van ons” telkens onhoudbaar gebleken.

    Praktische gevolgen. Sommigen vinden een moraal die pasgeborenen en varkens in één adem noemt intuïtief onaanvaardbaar. Tegenwerping: dat is geen weerlegging maar een weigering van de conclusie — al mag de kracht van morele intuïties zelf ook weer ter discussie staan.

    Waar dit uitkomt

    Het argument dwingt niet tot één conclusie, maar het maakt één positie wel erg lastig: de gedachte dat de morele kloof tussen mens en dier vanzelf spreekt. Wie hem wil handhaven, moet uitleggen welke eigenschap hem draagt, en dan verklaren waarom mensen die die eigenschap missen toch bescherming behouden.

    Dat is geen onmogelijke opgave. Maar het is een opgave, en zij wordt zelden aangegaan.

  • Soortisme: vooroordeel of vanzelfsprekendheid?

    De term werd in de jaren zeventig bedacht door de Britse psycholoog Richard Ryder, tijdens een campagne in Oxford. Peter Singer maakte hem bekend. Soortisme: het toekennen van meer gewicht aan de belangen van de eigen soort, zonder dat daar een rechtvaardiging voor bestaat.

    De vergelijking die erbij hoort is bewust ongemakkelijk. Zoals racisme de belangen van de eigen groep laat voorgaan zonder relevant verschil, zo doet soortisme dat volgens Singer met de eigen soort.

    Wat de aanklacht precies inhoudt

    Het gaat niet om de bewering dat mens en dier gelijk zijn. Singer ontkent niet dat er verschillen bestaan, en die verschillen mogen ook gevolgen hebben: het belang van een mens bij onderwijs heeft geen equivalent bij een koe.

    De aanklacht is specifieker. Waar belangen wél vergelijkbaar zijn — de belangen om niet te lijden, om te blijven leven — daar zou het feit dat de een tot onze soort behoort en de ander niet, op zichzelf geen gewicht mogen hebben. Soortlidmaatschap is een biologische categorie, geen morele eigenschap.

    Vergelijk het met huidskleur: ook een biologisch feit, ook zonder morele lading, en toch eeuwenlang gebruikt om verschil in behandeling te rechtvaardigen.

    De verdediging

    Hier ligt een van de scherpste breuklijnen in de moderne ethiek, en de verdediging is niet zwak.

    De vergelijking gaat mank. Rassen bestaan biologisch nauwelijks; soorten wel degelijk. Wie beweert dat soortisme hetzelfde is als racisme, gebruikt een retorisch middel om een categorieverschil weg te poetsen.

    Partijdigheid is niet altijd onrecht. Wij vinden het niet verkeerd dat een ouder het eigen kind voortrekt boven een vreemd kind. Verbondenheid mag moreel meetellen. Waarom zou verbondenheid met de eigen soort dan wél verdacht zijn?

    Moraal is een menselijke praktijk. Christine Korsgaard, die overigens zelf tot verregaande verplichtingen jegens dieren concludeert, wijst erop dat het vermogen tot moreel redeneren uniek menselijk is. Critici trekken daar een andere conclusie uit: wie de regels maakt en kan naleven, hoort tot de kring waarvoor ze gelden.

    Waar de discussie op vastloopt

    Het weerwoord op de tweede verdediging is sterk en verdient vermelding. Dat een ouder het eigen kind voortrekt, betekent niet dat die ouder een vreemd kind mag doden voor het genoegen van het eigen kind. Partijdigheid rechtvaardigt voorrang, geen onbeperkt gebruik.

    En daar ligt de kern van de zaak. De vraag is niet of wij een bijzondere band met onze soort mogen voelen — natuurlijk mag dat. De vraag is of die band rechtvaardigt wat wij feitelijk doen: jaarlijks tientallen miljarden dieren houden en doden, grotendeels voor voedsel waarvoor alternatieven bestaan.

    Wie soortisme verwerpt maar er niets aan doet, is inconsequent. Wie het verdedigt, moet uitleggen waar de grens ligt tussen gerechtvaardigde voorkeur en onbeperkt gebruik. Beide posities hebben werk te verzetten. Dat werk is waar deze site over gaat.

  • Waarom wij als enige zoogdieren scheurbuik krijgen

    Bijna elk zoogdier maakt zijn eigen vitamine C aan. Een hond, een kat, een koe, een rat: allemaal produceren ze het in hun lever, in ruime hoeveelheden, en geen van hen zal ooit scheurbuik krijgen. Wij kunnen het niet. Wij moeten vitamine C eten, elke week opnieuw, of we worden ziek.

    Dat is een opmerkelijke handicap voor een diersoort. En de verklaring ervoor zegt iets over wat onze voorouders aten.

    Een kapot gen

    De laatste stap in de aanmaak van vitamine C wordt uitgevoerd door een enzym met de naam L-gulonolacton-oxidase, kortweg GULO. Bij de mens is het gen dat daarvoor codeert nog aanwezig, maar defect: een zogeheten pseudogen. De bouwtekening ligt er nog, de fabriek is gesloten.

    Dat verlies is niet uniek voor de mens. Alle droogneusapen delen het, evenals cavia’s en sommige vleermuizen. De inactivatie bij onze lijn wordt geschat op ruwweg zestig miljoen jaar geleden.

    Waarom een kapot gen blijft bestaan

    Hier wordt het interessant. Een defect in zo’n essentiële stofwisselingsroute zou normaal gesproken dodelijk zijn. Dat het zich toch door de hele lijn heeft verspreid, kan maar één ding betekenen: de dieren die de mutatie opliepen, hadden er geen last van. Er zat genoeg vitamine C in hun voedsel.

    En vitamine C zit vrijwel uitsluitend in planten. Vruchten, bladeren, knollen. Vlees bevat er weinig van; gekookt vlees vrijwel niets. Een soort die zijn eigen productie kan opgeven zonder uit te sterven, leefde dus in een omgeving met een constante, ruime aanvoer van vers plantaardig voedsel.

    Dat is geen indirecte gevolgtrekking uit anatomie, maar een spoor in ons genoom.

    Wat het niet bewijst

    Twee eerlijke kanttekeningen, want die horen erbij.

    Ten eerste is er discussie over het waarom. Sommige onderzoekers zien het verlies als puur toevallig, mogelijk gehandhaafd doordat het energie bespaart of doordat het samenhangt met een efficiëntere opname van vitamine C uit voedsel. Wat vaststaat is de voorwaarde: zonder ruime plantaardige aanvoer had de mutatie zich niet kunnen verspreiden.

    Ten tweede: het gaat over onze voorouders van tientallen miljoenen jaren geleden, niet over de mens van de laatste paar honderdduizend jaar. Wie dit gebruikt om te betogen dat de mens nooit vlees at, rekt het argument te ver op.

    Wat het wél laat zien: onze biologie draagt de sporen van een lange geschiedenis waarin plantaardig voedsel niet incidenteel was, maar dagelijks en overvloedig. Wij zijn er zo van afhankelijk geraakt dat wij, anders dan bijna elk ander zoogdier, zonder ziek worden.

  • Ons DNA veranderde mee met de aardappel

    Er bestaat een hardnekkig beeld waarin de mens vooral een jager is, en waarin granen, knollen en peulvruchten pas laat in ons verhaal verschijnen — als een compromis van de landbouw, iets waar ons lichaam eigenlijk niet op gebouwd is.

    Ons genoom vertelt een ander verhaal. Zetmeel heeft letterlijk sporen in ons DNA achtergelaten.

    Vertering begint in de mond

    Wie een stuk brood lang genoeg kauwt, proeft het zoeter worden. Dat is speekselamylase aan het werk: een enzym dat zetmeel afbreekt tot suikers, nog voordat het voedsel de maag bereikt. Carnivoren hebben dit enzym niet in hun speeksel. Wij wel, en in ruime mate.

    Het gen dat ervoor codeert heet AMY1, en het gedraagt zich ongewoon. De meeste genen heeft een mens in tweevoud, één van elke ouder. Van AMY1 kan iemand er twee hebben — of vijftien.

    Meer zetmeel, meer kopieën

    Perry en collega’s publiceerden in 2007 in Nature Genetics een studie die dat patroon verklaarde. Zij vergeleken bevolkingsgroepen met traditioneel zetmeelrijke diëten met groepen die weinig zetmeel aten. De uitkomst: wie uit een zetmeelrijke traditie komt, heeft gemiddeld meer AMY1-kopieën. Meer kopieën betekenen meer amylase in het speeksel, en dus een betere vertering van zetmeelrijk voedsel.

    Dit was een van de eerste duidelijke voorbeelden van positieve selectie op een gen dat in aantal varieert. In gewone taal: dit is geen toeval, maar aanpassing. Het eten van zetmeelrijk plantaardig voedsel gaf een voordeel dat groot genoeg was om het genoom te veranderen.

    Ter vergelijking: bij zoogdieren in het algemeen blijkt het aantal amylasekopieën samen te hangen met het dieet van de soort — een patroon dat meerdere keren onafhankelijk is ontstaan.

    Wat dit betekent

    Zetmeelrijke planten zijn geen recente toevoeging aan het menselijke menu waar ons lichaam nog aan moet wennen. Ze zijn oud genoeg en belangrijk genoeg geweest om ons erfelijk materiaal vorm te geven.

    Eerlijkheidshalve: dit maakt de mens geen exclusieve planteneter. Het weerlegt wel het idee dat plantaardige koolhydraten lichaamsvreemd zijn — een idee dat je in populaire voedingsdiscussies veelvuldig tegenkomt. Wie beweert dat de mens niet gebouwd is op zetmeel, moet uitleggen waarom onze evolutie ons juist steeds beter in het verteren ervan heeft gemaakt.

  • Het sterkste argument is niet anatomisch, maar medisch

    Discussies over veganisme belanden vaak in de oertijd. Waren wij herbivoren? Wat aten onze voorouders? Het is een boeiende vraag, maar strategisch gezien een zwakke: het bewijs is fragmentarisch, de interpretaties lopen uiteen, en zelfs een sluitend antwoord zou niet bepalen wat wij vandaag zouden moeten eten.

    Het krachtigste argument ligt ergens anders, en het is veel beter onderbouwd: een goed samengesteld plantaardig dieet is niet alleen toereikend, maar hangt samen met een lager risico op precies die aandoeningen waar wij massaal aan overlijden.

    Toereikend in elke levensfase

    De Academy of Nutrition and Dietetics, de grootste beroepsvereniging van diëtisten ter wereld, publiceerde in 2016 haar standpunt over vegetarische voeding. De kern: goed geplande vegetarische en veganistische voeding is gezond, voedingskundig toereikend, en geschikt voor alle levensfasen — zwangerschap, borstvoeding, zuigelingen, kinderen, adolescenten, ouderen en sporters.

    Dat is geen activistische bewering maar het formele standpunt van een beroepsgroep. Twee woorden verdienen nadruk: goed gepland. Veganisten hebben een betrouwbare bron van vitamine B12 nodig, uit verrijkte voeding of een supplement. Dat is geen zwakte van het dieet maar een randvoorwaarde ervan, net zoals jodium in zout dat voor de rest van de bevolking is.

    Meer dan toereikend

    Hetzelfde standpunt noemt een lager risico op ischemische hartziekte, diabetes type 2, hoge bloeddruk, bepaalde vormen van kanker en obesitas bij vegetariërs en veganisten.

    Een van de sterkste aanwijzingen voor het mechanisme daarachter komt uit een omvangrijke analyse die Reynolds en collega’s in 2019 in The Lancet publiceerden. Zij bundelden 185 prospectieve studies en 58 klinische trials — samen bijna 135 miljoen persoonsjaren aan gegevens.

    De bevinding: wie het meeste vezels eet, heeft 15 tot 30 procent minder kans om te overlijden, aan welke oorzaak dan ook, dan wie het minste eet. Per extra 8 gram vezels per dag daalde het aantal sterfgevallen en het aantal gevallen van coronaire hartziekte, diabetes type 2 en darmkanker met 5 tot 27 procent. De grootste winst lag bij een inname van 25 tot 30 gram per dag.

    En hier zit de kern: vezels komen uitsluitend uit planten. Vlees, vis, zuivel en eieren bevatten er nul gram van. Een dieet dat rijk is aan vezels is per definitie een overwegend plantaardig dieet.

    De grenzen van dit argument

    Eerlijk blijven, ook hier. Het meeste van dit bewijs is observationeel: mensen die veel vezels eten, verschillen ook op andere manieren van mensen die dat niet doen — ze roken minder, bewegen meer, hebben vaker een hoger opleidingsniveau. Goede studies corrigeren daarvoor, maar volledig uitsluiten kun je het niet.

    Bovendien: “plantaardig” is geen garantie. Frisdrank en witbrood zijn ook plantaardig. Het bewijs wijst op vezelrijke, onbewerkte plantaardige voeding, niet op het simpelweg weglaten van dierlijke producten.

    Waarom dit sterker is

    Anders dan de anatomische argumenten rust dit op honderden studies, miljoenen deelnemers en het formele standpunt van beroepsverenigingen. Het is bovendien direct relevant: het gaat over wat een mens vandaag kan eten, niet over wat een voorouder ooit at.

    Wie het gesprek voert over veganisme doet er goed aan hier te beginnen, en de oertijd te laten voor wat hij is: interessant, maar niet doorslaggevend.

  • Is de blindedarm bewijs dat de mens een herbivoor is?

    Wie zich verdiept in de vraag of de mens van nature een planteneter is, komt vroeg of laat een argument tegen dat overtuigend klinkt: wij hebben een blindedarm, en dat orgaan hoort bij herbivoren. Bij planteneters is het een fermentatievat voor taaie plantvezels; bij vleeseters stelt het weinig voor. Dat wij er een hebben, zou verraden waar ons lichaam eigenlijk voor gebouwd is.

    Het is een mooi argument. Het is alleen niet houdbaar in de vorm waarin het meestal wordt verteld. Op deze site draait alles om wat het bewijs werkelijk zegt, ook wanneer dat ongelegen komt — dus laten we het uit elkaar halen.

    Waar het argument vandaan komt

    De redenering gaat terug op Charles Darwin. Hij viel op dat de menselijke appendix — het wormvormige aanhangsel aan het caecum, rechtsonder in de buik — geen duidelijke functie leek te hebben. Zijn verklaring: onze verre voorouders leefden van bladeren en hadden daarvoor een groot caecum nodig, waarin bacteriën die vezels konden afbreken. Toen die voorouders overstapten op makkelijker verteerbaar voedsel, met name fruit, verloor dat orgaan zijn nut en kromp het tot wat wij nu overhouden.

    Let op dat detail: in Darwins eigen redenering is de krimp van het caecum juist een gevolg van een overgang naar fruit. Wie het frugivore-argument aanhangt, vindt hier dus historisch gezien een aanknopingspunt.

    De vergelijkende anatomie ondersteunt het eerste deel van het verhaal. Bij veel herbivoren is het caecum enorm ontwikkeld en bij sommige soorten zelfs het belangrijkste verteringsorgaan. Bij typische carnivoren is het klein tot rudimentair. Zo bezien lijkt de conclusie voor de hand te liggen.

    Wat het bewijs werkelijk zegt

    In 2009 publiceerden Smith en collega’s in het Journal of Evolutionary Biology een vergelijkende studie naar het caecum en de appendix bij honderden zoogdiersoorten. Hun bevindingen ondermijnen de sterke versie van het argument op drie punten.

    • Geen verband met dieet. De onderzoekers vonden geen correlatie tussen dieetcategorie en de aanwezigheid van een appendix, de grootte ervan, of de vorm van het caecum. Een appendix voorspelt niet wat een dier eet.
    • Meermaals onafhankelijk ontstaan. De appendix is in de evolutie meerdere keren los van elkaar verschenen — bij primaten, bij knaagdieren en hazagtigen, en bij buideldieren — en soms ook weer verdwenen. Dat past niet bij één gedeelde herbivore oorsprong.
    • Een andere functie. De huidige leidende hypothese is dat de appendix dient als toevluchtsoord voor nuttige darmbacteriën: een reservoir waaruit de darmflora zich kan herstellen na een infectie. Dat is een immunologische functie, geen verteringsfunctie.

    De bewering dat dit orgaan “alleen bij herbivoren voorkomt” is daarmee onjuist. Een vermiforme appendix komt voor bij alle mensapen en bij diverse apensoorten, maar ook bij dieren die je niet als planteneter zou omschrijven. Het is geen keurmerk voor plantaardige voeding.

    Wat er wél overeind blijft

    Het zou te makkelijk zijn om nu alles weg te wuiven. Een paar dingen blijven staan:

    • De mens deelt een cecoappendiculair complex met bladeretende primaten — de anatomische verwantschap is er, alleen zegt die weinig over dieet.
    • Onze dikke darm kan korteketenvetzuren opnemen uit bacteriële fermentatie van vezels, wat een reële bijdrage aan de energievoorziening levert. Fermentatie speelt bij de mens dus wel degelijk een rol.
    • Een appendix die vooral darmflora huisvest, onderstreept hoe centraal die darmflora is — en die floreert bij vezelrijke, plantaardige voeding. Dat is een sterker en beter onderbouwd argument dan het oorspronkelijke.

    Conclusie

    De blindedarm is geen bewijs dat de mens een herbivoor is. Wie dat argument gebruikt, loopt het risico onderuit te worden gehaald door iemand die de literatuur wél heeft gelezen — en verliest daarmee meer geloofwaardigheid dan het argument ooit had kunnen opleveren.

    Er zijn genoeg argumenten voor een plantaardig dieet die wél op stevig bewijs rusten: gezondheidsuitkomsten, milieu-impact en bovenal de ethische vraag of we dieren leed mogen aandoen voor voedsel dat we niet nodig hebben. Die argumenten hebben een zwakke anatomische bijrol niet nodig.

    Het loslaten van een argument dat niet klopt, is geen verlies. Het is precies wat je positie geloofwaardig maakt.