Een argument dat vaak terugkeert in discussies over het menselijke dieet: wij zijn simpelweg te traag om iets te vangen. Een gemiddeld mens sprint zo’n 20 tot 30 kilometer per uur. Een gazelle haalt het dubbele. Zelfs een konijn rent ons eruit. Wat voor roofdier zou dat moeten voorstellen?
De cijfers kloppen. De conclusie niet. Dit is een van de argumenten waar je het snelst op onderuit gaat in een gesprek met iemand die de literatuur kent, en het is de moeite waard om te begrijpen waarom.
Snelheid was nooit de strategie
In 2004 publiceerden Dennis Bramble en Daniel Lieberman in Nature een invloedrijk artikel over de evolutie van het hardlopen bij de mens. Hun stelling: het geslacht Homo is niet gebouwd op snelheid, maar op uithoudingsvermogen. Wij zijn de enige primaat die op aerobe stofwisseling afstanden van meer dan vijf kilometer kan afleggen, en dat vermogen is ongeveer twee miljoen jaar oud.
Het lichaam draagt daar de sporen van: een nekband die het hoofd stabiliseert tijdens het rennen, lange veerkrachtige pezen zoals de achillespees, een uitzonderlijk zware bilspier, en miljoenen zweetklieren in plaats van een vacht.
Dat laatste is beslissend. De meeste zoogdieren koelen af door te hijgen, en dat lukt niet goed tijdens het galopperen. Een mens zweet en kan blijven doorgaan. Over langere afstanden lopen wij sneller dan de snelheid waarop andere zoogdieren van draf naar galop moeten overschakelen — en in hitte raken die dieren oververhit terwijl wij doorlopen.
Uitputtingsjacht
Hieruit volgt een jachtvorm die geen snelheid vereist en geen wapens: de uitputtingsjacht. De jager haalt het dier niet in, maar blijft het urenlang achtervolgen tot het instort door oververhitting. Bramble en Lieberman betogen dat vroege Homo hiermee een ecologische niche kon vullen nog voordat er geavanceerde wapens bestonden.
De vraag is dus niet of een mens sneller is dan zijn prooi. Die is niet relevant. De vraag is of een mens een prooi kan bemachtigen — en daar zijn wij, anders dan bijna elk ander dier, uitzonderlijk goed in.
En de bijen?
In sommige versies van het argument wordt eraan toegevoegd dat onze sprintsnelheid net voldoende is om bijen voor te blijven na het roven van een honingnest. Dat is een aardig beeld, maar het werkt tegen de these die het moet ondersteunen: honing is een dierlijk product. Wie onze anatomie verklaart uit het roven van honingnesten, beschrijft daarmee een aanpassing aan dierlijk voedsel.
Honingroof is bovendien goed gedocumenteerd bij hedendaagse jager-verzamelaars, waaronder de Hadza in Tanzania, bij wie honing een substantieel deel van de calorieën levert.
Conclusie
Het snelheidsargument is niet houdbaar. Onze traagheid over korte afstand zegt niets over ons vermogen om te jagen, omdat snelheid nooit onze strategie was. Sterker nog: het uithoudingsvermogen waarmee wij ons onderscheiden, wordt door onderzoekers juist in verband gebracht met het bemachtigen van vlees.
Dat is ongemakkelijk voor wie het herbivoor-argument aanhangt, en het is eerlijker om dat te erkennen dan het weg te laten. Wat onze voorouders konden en deden, bepaalt bovendien niet wat wij vandaag zouden moeten doen. Dat mensen tot jagen in staat waren, verplicht ons nergens toe — net zomin als ons vermogen tot geweld ons verplicht gewelddadig te zijn.
Bronnen bij dit artikel
- Dennis M. Bramble, Daniel E. Lieberman (2004). Endurance running and the evolution of Homo Nature 432:345-352. Peer-reviewed studie [origineel]
Deze bronnen zijn gekoppeld via de claims die in dit artikel worden behandeld. Doorzoek de volledige bibliotheek.