De term werd in de jaren zeventig bedacht door de Britse psycholoog Richard Ryder, tijdens een campagne in Oxford. Peter Singer maakte hem bekend. Soortisme: het toekennen van meer gewicht aan de belangen van de eigen soort, zonder dat daar een rechtvaardiging voor bestaat.
De vergelijking die erbij hoort is bewust ongemakkelijk. Zoals racisme de belangen van de eigen groep laat voorgaan zonder relevant verschil, zo doet soortisme dat volgens Singer met de eigen soort.
Wat de aanklacht precies inhoudt
Het gaat niet om de bewering dat mens en dier gelijk zijn. Singer ontkent niet dat er verschillen bestaan, en die verschillen mogen ook gevolgen hebben: het belang van een mens bij onderwijs heeft geen equivalent bij een koe.
De aanklacht is specifieker. Waar belangen wél vergelijkbaar zijn — de belangen om niet te lijden, om te blijven leven — daar zou het feit dat de een tot onze soort behoort en de ander niet, op zichzelf geen gewicht mogen hebben. Soortlidmaatschap is een biologische categorie, geen morele eigenschap.
Vergelijk het met huidskleur: ook een biologisch feit, ook zonder morele lading, en toch eeuwenlang gebruikt om verschil in behandeling te rechtvaardigen.
De verdediging
Hier ligt een van de scherpste breuklijnen in de moderne ethiek, en de verdediging is niet zwak.
De vergelijking gaat mank. Rassen bestaan biologisch nauwelijks; soorten wel degelijk. Wie beweert dat soortisme hetzelfde is als racisme, gebruikt een retorisch middel om een categorieverschil weg te poetsen.
Partijdigheid is niet altijd onrecht. Wij vinden het niet verkeerd dat een ouder het eigen kind voortrekt boven een vreemd kind. Verbondenheid mag moreel meetellen. Waarom zou verbondenheid met de eigen soort dan wél verdacht zijn?
Moraal is een menselijke praktijk. Christine Korsgaard, die overigens zelf tot verregaande verplichtingen jegens dieren concludeert, wijst erop dat het vermogen tot moreel redeneren uniek menselijk is. Critici trekken daar een andere conclusie uit: wie de regels maakt en kan naleven, hoort tot de kring waarvoor ze gelden.
Waar de discussie op vastloopt
Het weerwoord op de tweede verdediging is sterk en verdient vermelding. Dat een ouder het eigen kind voortrekt, betekent niet dat die ouder een vreemd kind mag doden voor het genoegen van het eigen kind. Partijdigheid rechtvaardigt voorrang, geen onbeperkt gebruik.
En daar ligt de kern van de zaak. De vraag is niet of wij een bijzondere band met onze soort mogen voelen — natuurlijk mag dat. De vraag is of die band rechtvaardigt wat wij feitelijk doen: jaarlijks tientallen miljarden dieren houden en doden, grotendeels voor voedsel waarvoor alternatieven bestaan.
Wie soortisme verwerpt maar er niets aan doet, is inconsequent. Wie het verdedigt, moet uitleggen waar de grens ligt tussen gerechtvaardigde voorkeur en onbeperkt gebruik. Beide posities hebben werk te verzetten. Dat werk is waar deze site over gaat.