Thema: dierenrechten

  • De vraag waar het werkelijk om gaat

    Gesprekken over veganisme verzanden bijna altijd in bijzaken. Krijg je wel genoeg eiwit binnen. Aten onze voorouders geen vlees. Wat als iedereen het deed. Stuk voor stuk interessante vragen, en stuk voor stuk vragen die om de kern heen draaien.

    De kern is een morele vraag, en die luidt: mogen wij dieren leed aandoen en doden voor iets wat wij niet nodig hebben?

    Alles daaromheen is afgeleid. Als het antwoord ja is, verandert een gezondheidsstudie daar weinig aan. Als het antwoord nee is, doet het weinig ter zake wat een voorouder ooit at.

    Het argument in zijn eenvoudigste vorm

    Peter Singer formuleerde in 1975 in Animal Liberation een redenering die sindsdien het startpunt van het debat is. Sterk vereenvoudigd:

    1. Onnodig lijden veroorzaken is verkeerd.
    2. Dieren kunnen lijden.
    3. Wij veroorzaken hun lijden voor voedsel dat wij niet nodig hebben.
    4. Dus is wat wij doen verkeerd.

    De kracht zit in de eerste premisse: die accepteert vrijwel iedereen al. Wie een hond mishandelt voor zijn plezier wordt door niemand verdedigd. Singers vraag is waarom dat oordeel verandert zodra het dier een varken is en het plezier een broodje.

    Singer beroept zich daarbij op het beginsel van gelijke afweging van belangen: als twee wezens een vergelijkbaar belang hebben — bijvoorbeeld het belang om geen pijn te lijden — dan hoort dat belang even zwaar te wegen, ongeacht tot welke soort ze behoren.

    Een andere route: rechten

    Tom Regan bewandelde in The Case for Animal Rights (1983) een andere weg. Waar Singer rekent met belangen en uitkomsten, betoogt Regan dat dieren rechten hebben.

    Zijn sleutelbegrip is subject-of-a-life: een wezen dat overtuigingen en verlangens heeft, waarneemt, herinnert, iets voelt, een toekomst heeft die voor hem uitmaakt. Zulke wezens hebben volgens Regan intrinsieke waarde — waarde die niet afhangt van hun nut voor anderen. En wie intrinsieke waarde heeft, mag niet worden behandeld als louter middel.

    Het verschil is praktisch relevant. Singers benadering laat in beginsel ruimte voor afwegingen: als het lijden klein genoeg is en het voordeel groot genoeg, kan iets toelaatbaar zijn. Regan sluit dat uit. Een recht kun je niet wegstrepen tegen andermans voordeel.

    Wat critici hiertegen inbrengen

    Deze redeneringen zijn niet onweersproken, en het is eerlijker om de bezwaren serieus te nemen dan ze te negeren.

    Het bezwaar van morele gemeenschap. Carl Cohen betoogde dat rechten alleen bestaan binnen een gemeenschap van wezens die morele claims op elkaar kunnen maken. Dieren kunnen dat niet: een leeuw kan geen onrecht doen. Volgens deze redenering zijn dieren geen rechthebbers, hoewel wij wel plichten jegens hen kunnen hebben.

    Het bezwaar tegen de abstractie. Cora Diamond stelde dat de hele benadering het onderwerp misvat. Dat wij geen mensen eten komt niet doordat wij hebben vastgesteld dat mensen bepaalde eigenschappen bezitten, maar doordat wij hen zien als mensen — als iemand, niet als iets. Volgens Diamond zou de discussie moeten gaan over hoe wij dieren zíen, niet over welke eigenschappen zij afvinken.

    Het bezwaar van de gedeelde natuur. Anderen, onder wie Roger Scruton, betogen dat morele verplichtingen voortkomen uit relaties en gemeenschap, en dat een bijzondere band met de eigen soort geen vooroordeel is maar de basis van moraal zelf.

    Waarom dit het hoofdonderwerp is

    Wie deze bezwaren wil beantwoorden, moet de filosofie in. Dat is precies waar dit onderwerp thuishoort — niet in de anatomie, niet in de voedingsleer.

    Op deze site behandel ik de ethische vraag daarom als hoofdzaak, met de argumenten van beide kanten. Niet omdat de uitkomst mij onverschillig laat, maar omdat een positie die de tegenargumenten niet kent, geen positie is maar een gewoonte.

  • The Case for Animal Rights

    Regan verdedigt een rechtenbenadering in plaats van Singers utilistische afweging. Kernbegrip is subject-of-a-life: wezens met overtuigingen, verlangens, waarneming, geheugen en een toekomst die voor hen uitmaakt, hebben intrinsieke waarde en daarmee rechten die niet tegen andermans voordeel mogen worden weggestreept.

    Deze bron ondersteunt de claim over intrinsieke waarde.